logo logo

Doopsgezinde Vermaning op Krommeniedijk

De doopsgezinden van Krommeniedijk kwamen aanvankelijk in huiselijke kring bij elkaar om de eredienst te houden. Later vonden zij een plaats van samenkomst in een eigen 'Vermaenhuis'.

Wederdopers

Een 'doopsgezinde' geloofsovertuiging was in de zestiende eeuw niet zonder gevaar. Begin 1534 verscheen overal de oproep om naar Münster te komen. Deze was hoogstwaarschijnlijk geschreven door Jan van Leiden. De dopersen hadden deze stad in Westfalen ingenomen, onder leiding van bakker Jan Matthijsz uit Haarlem, en streefden er naar het duizendjarig Rijk van Sion te stichten. Hierdoor trachtten zij allen die niet met hen sympathiseerden uit de stad te verjagen. Onder hen bevond zich ook de bisschop van Münster, die het er niet bij liet zitten en zijn troepen de stad liet belegeren. Op 5 april 1534 kwam Jan Matthijsz hierbij om het leven. Jan Beukelsz, een kleermaker uit Leiden ('Jantje van Leiden') nam zijn plaats in en met de kreet 'Gottes Macht ist Myn Cracht' propageerde hij een beleid van goederengemeenschap en veelwijverij. Waarschijnlijk is de oproep om naar Münster te komen afkomstig van deze 'koning Jan van Münster'.

In de stellige overtuiging dat het Einde der Tijden nabij was, verkochten veel wederdopers te Krommeniedijk hun (eventuele) onroerende goederen en vee en trokken naar Spaarndam met de bedoeling daar scheep te gaan, om via het IJ over de Zuiderzee te reizen naar het Bergklooster te Hasselt, waar de wederdopers zich op 24 maart 1534, om 12.00 uur, zouden verzamelen om naar Münster, het nieuwe Jeruzalem, op te trekken. Weinigen bereikten echter hun bestemming. De vijf schepen die op 21 maart uit Spaarndam vertrokken werden reeds in Amsterdam aangehouden door kapitein Cornelis de Roos, in opdracht van een secretaris van de Hof van Holland. Vijf andere schepen werden in Haarlem verhinderd verder te varen. Maar liefst 69 Krommeniedijkers werden beschuldigd van wederdoperij en zeker tien van hen hebben op 15 april van dat jaar in Den Haag het leven moeten geven voor hun geloof. Zij werden na te zijn gemarteld, veroordeeld de brandstapel te beklimmen, waar zij langsaem ende van onder op gebrant ende ghebraden sijn.

Wederdopers op de brandstapel

(Zeventiende eeuwse gravure van Jan Luyken)

Jan Pieter Eggesz en Dirck Vredericxz alias Vaertgen van Krommeniedijk werden op 26 maart 1534 met nog vijf anderen in Haarlem onthoofd, dit krachtens een vonnis van het Hof van Holland. Zij werden door de autoriteiten gerekend tot de 'principael predicanten ende doopers'. Wat er in Münster gebeurd was, vormde een waar schrikbeeld voor het gevestigde gezag, zodat er hard tegen de revolutionaire beweging werd opgetreden. Met ingang van 10 april voerde het Hof de dood op de brandstapel in. Daarvoor was een dergelijk zwaar vonnis in deze contreien niet toegepast op wederdopers. Reeds op 15 april trof deze straf dus ook enkele Krommeniedijkers.

Met de tijd en de hervormingen veranderden de houding ten opzichte van de dopersen, en vanuit de samenkomsten van doperse bewegingen ontstond de doopsgezinde kerk, gebaseerd op de meer gematigde leer van Menno Simonsz. Dat deze nog steeds niet volledig geaccepteerd werd, blijkt uit het feit dat het kerkgebouw van de doopsgezinden niet op een kerk mocht lijken. Over het algemeen zag een Vermaning er uit als een schuur, dus zonder toren en een flink eind van de rooilijn, en dus van de weg, af.

De eerste Vermaning te Krommeniedijk zal in het begin van de zeventiende eeuw gebouwd zijn, in ieder geval voor 1634. In het boek De vier Plaetsen van Jelle van der Weide staat dat de Krommeniedijker Vermaning wel 150 personen kon bevatten, hoewel het ledental met de eeuwen afnam. Er was een gaanderij aan de zuid-, oost- en noordzijde en een preekstoel aan de westzijde. De vloer was bedekt met zand en de muren waren geteerd. Zeer waarschijnlijk had het gebouw een rieten dak.

De verhouding tussen de twee protestantse kerken te Krommeniedijk was goed. Toen de gereformeerde kerk in 1754 en 1755 werd afgebroken en vervangen door het huidige gebouw, bood de Vermaning ook onderdak aan de leden van deze gemeenschap. Gereformeerden huwden in dit doopsgezinde kerkgebouw en lieten er hun kinderen dopen.


Vermaners op Krommeniedijk

Jelle van der Weide noemt in De vier Plaetsen de namen van de voorgangers - voor zo ver die bekend zijn - die in de Vermaning hebben gedoopt.

Gerrit Jansz Potjes van Knollendam

tussen 1740 en 1756

Lambert Daniëls van Uitgeest

tussen 1740 en 1756

Benedicktus Hoekstra van Westzaan

in 1756, 1759, 1760 en 1765

Maarten Schouten

in 1757, 1762 en 1767

Gerrit Blauw van Wormerveer-Zuid

na 1767

Jan Cornelis Baas van Westzaan-Noord

na 1767

Dirk Max van Krommenie

na 1767

Poulus Vijzelaar van Oost-Zaandam

na 1767

(?) de Hoop van West-Zaandam

na 1767

Dirk Valk, Dirck Bakker, Jan Blauw, Poulus Vijzelaar van Zaandam-Oost, Adriaan Vrijer, Jan Pietersz Appelo, Jan Jonker en Sibrant Maartens (leraar van het Noordeind van Graft)

vanaf 1771. Deze heren, waarschijnlijk predikers, ontvingen allen 2 gulden per dienst.

Simon Kalverboer uit Knollendam

van 1795 - 20 maart 1829 (zijn overlijden)

Op 10 mei 1804 werd een contract opgemaakt om de doopsgezinde gemeenten van Knollendam en Krommeniedijk te verenigen. Krommeniedijk bezat op dat moment nog zestien leden, een fractie van het aantal doopsgezinden dat ooit in de beginjaren de Vermaning had bezocht. Wellicht dat de riante erfenis (ruim fl. 1.275,-), die Sijmon Dirksz de Jong met zijn overlijden op 22 maart 1795 aan de doopsgezinde gemeente te Krommeniedijk had nagelaten, in de keuze van de Knollendammers heeft meegespeeld. Hoe dan ook, alle goederen en geschriften van waarde werden opgeborgen in een ijzeren kist met drie verschillende sloten, waarvan drie opzieners of diakenen elk een sleutel in bewaring kregen.

In 1810 werd vermeld dat het houten gebouw door ouderdom hier en daar ernstige gebreken vertoonde. Er waren op dat moment veertig leden en in die periode is tevergeefs een poging gedaan de doopsgezinde gemeente van Knollendam-Krommeniedijk te fuseren met die van Krommenie (70 leden in 1811). De Vermaning te Krommeniedijk verkeerde inmiddels in zo'n slechte staat dat het gebouw in 1827 buiten dienst is gesteld, zodat de Krommeniedijkers wekelijks naar de Vermaning te Knollendam moesten uitwijken, waar ook de in 1828 de doopsgezinden van Markenbinnen (7 leden in 1828) bijeen kwamen.

In 1828 is de oude Vermaning op Krommeniedijk volledig gerestaureerd waarbij het gebouw, dat door verzakking twee voet overhelde, werd rechtgezet. De kerk is daarbij voor een derde aan de zuidzijde ingekort. Hierdoor verdween de gaanderij aan deze zijde en besloot men de gaanderij aan de oostzijde ook te verwijderen en de preekstoel van de westzijde naar de zuidzijde te verplaatsen. Het rieten dak werd vervangen door een met dakpannen. Op eerste Pinksterdag van dat jaar (25 mei 1828) kon de Vermaning te Krommeniedijk weer in gebruik worden genomen. In 1835 (toen aan de zuidzijde van de Vermaning twee grote nieuwe ramen werden aangebracht) telde de gemeente 93 zielen, waarvan 48 nog ongedoopte kinderen. Allen zaten echter op 'eigen', van thuis meegebrachte stoelen, zodat dit een allegaartje vormde. Vanaf 6 april 1840 werden er nieuwe stoelen aangekocht, die gehuurd konden worden voor 20 cent.

Op 1842 is een 'Staat van Gemeenteleden' opgemaakt, vanuit Krommeniedijk waren dit de volgende leden: Jan Kz Krijgsman, diaken (47 jaar), Klaas Botvanger, diaken (34 jaar), Maartje Moeriaan (62 jaar), Neeltje Krijgsman (41 jaar), Dirkje Botvanger (36 jaar), Willempje Muis (35 jaar), Trijntje Botvanger (31 jaar), Jan Klz. Max (44 jaar), Hillegond Ruijs (26 jaar), Cornelis Krijgsman (22 jaar), Cornelis Visser (23 jaar), Klaas Jz Krijgsman (19 jaar), Klaas Luijt jr. (19 jaar) en Klaas Jz Max (19 jaar).

In 1847 werd (grotendeels met het hout van de oude kerk, die zo'n 215 jaar had dienst gedaan) een nieuw Vermaanhuis gebouwd. Dominee Gerrit Jochems Boetje schrijft dat hij met genoegen het nieuwe gebouw mag aanschouwen, 'wel klein, maar voor de gemeente voldoende, en even welstanig als sterk, terwijl eene nieuwe straat voor hetzelve, een zerksteen voor den drempel (als geschenk van Mevrouw de Weduwe Vas-Visser te Amsterdam), en een modern hek aan den weg, het geheel een fraai aanzien geven, en ook van binnen eenvoudige netheid heerschen.'

Het nieuwe gebouw werd op 22 augustus 1847 ingewijd in het bijzijn van 150 personen en met Ezra 6, vers 16 en 17:
'En de kinderen Israëls, de priesters en Levieten, en de overige kinderen der gevangenschap deden de inwijding van dit huis Gods met vreugde.
En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israël, naar het getal van de stammen Israëls.
'

Vermaning

De groen geschilderde doopsgezinde kerk stond op het huidige perceel Krommeniedijk 152. Binnen was alles hemelsblauw geschilderd, behalve de zitplaatsen en de lambrisering. In 1897 werd er een orgel in de kerk geplaatst. De kosteres die hier begin twintigste eeuw dienst deed, heette Aagje Luijt (geboren in 1843) en was getrouwd met Reijer Nielen.

De Vermaning is in 1918 gesloopt, maar het ijzeren hek bleef nog decennia lang voor het daar nieuw gebouwde huis staan. Hier woonde eerst het gezin van Jacob van Nieuwenhuizen (die uit het westelijk deel van het dubbele woonhuis op Krommeniedijk 157 kwam, dat hierna tot één woning verbouwd werd), toen dat van fietsenmaker Schouten, en daarna dat van Jur Zelvelder. In de jaren zestig kwam het gezin van Hendrik Rol er wonen (omdat de boerderij achter Krommeniedijk 160 onbewoonbaar was verklaard). Inmiddels bestaat ook dit huis niet meer en is het hek verwijderd.

Index

Activiteiten

Contact