![]() |
![]() |
Pastorie |
![]() |
Bij het godshuis hoorde een ambtswoning voor de voorganger. Zo woonde er een pastoor in het 'Cloosterhuijs' bij de rooms-katholieke kerk en stond er tot 1875 een 'Gereformeerde Pastorij' naast de kerk, ongeveer aan de overzijde van waar nu een wijngaard is geplant. Het vrij grote gebouw had ramen aan weerszijden van de voordeur en was bereikbaar via een bruggetje over de sloot. De laatste jaren voor de afbraak woonden er drie gezinnen in, een boerenwerkman en twee wevers, zodat er ook weefschuren bijgebouwd waren. De dominee (hoewel Krommeniedijk in deze periode geen vaste predikant had) nam toen tijdelijk zijn intrek in de diaconiewoning, tegenover de kerk. Afbeelding naar de kadasterkaart uit 1830. De zwartgekleurde omtrek geeft de locatie aan van de vroegere gereformeerde pastorie. |
In 1874 besloten drie toenmalige kerkvoogden, Jan Bak, Frederik Koel en Jacob Slooten, dat er een nieuwe pastorie moest komen.
![]() |
Aan het begin van het Laantje, richting de Westdijk, staat de pastorie van
Krommeniedijk. Op een ingemetselde gedenksteen is te lezen: (Foto van Jan Rem, uit de Krommenieër Kroniek, september 2003) |
Eén familie loopt als een rode draad door de geschiedenis van de huidige kerkelijke bouwwerken op Krommeniedijk. Om inzicht te krijgen in de afstammingslijn, is deze hier weergegeven.
1. Frederik/Fredrik Cornelisz Bak, geboren op 19 oktober 1708 te Krommeniedijk, en daar op 21 oktober 1708 gedoopt. Hij trouwde op 2 augustus 1733 met Grietje Claas/Klaes Molenaar, geboren in 1705 te Koedijk, maar zij woonde voor haar huwelijk in Uitgeest. Frederik Bak is gestorven op 22 juni 1772 te Krommeniedijk en daar ook begraven. Grietje was reeds op 15 juni 1758 gestorven. Het echtpaar kreeg vier kinderen: Cornelis (1737), Hendrikje (1741), Maartje (1743) en Weintje (1744). Frederik was een voorname boer op Krommeniedijk, met zestien koeien. Hij werd tot schepen verkozen, zodat hij in 1754 in de positie verkeerde om samen met zijn mederegenten de oude vervallen kerk te laten vervangen door een nieuwe. Dat was geen geringe taak, want in die jaren waren de inwoners van Krommeniedijk over het algemeen arm. Toch is het gelukt binnen een jaar het benodigde geld bij elkaar te krijgen, zodat op 26 mei 1755 de eerste steen gelegd kon worden door - zoals in die tijd gebruikelijk was - een kind van de hoogwaardigheidsbekleder. Dit was de toen zeventienjarige Cornelis Frederiksz Bak. Zijn verbintenis met de kerk van Krommeniedijk zou niet verder gaan, want hij verhuisde als jong volwassene naar Uitgeest, waar hij later functies bekleedde van schepen, vroedschap, waarschap, kerkmeester, weesmeester, molenmeester en dijkmeester. Hij is daar gestorven op 3 november 1799. In de hervormde kerk van Uitgeest is de grafsteen te zien die ooit het graf van hem en zijn vrouw Claasje Vierhuisen heeft afgedekt. Zijn zuster Hendrikje echter, zou met haar familielijn de band met de kerk in stand houden.
2. Hendrikje Frederiksd Bak werd geboren op 19 februari 1741 te
Krommeniedijk (gestorven op 12 december 1803). Daar trouwde ze op 24 april 1763
met Huijbert Cornelisz Eenhoorn, die op 15 april 1732 in de Starnmeer geboren
was (gestorven in 1801), als zoon van Trijntje Jans Starnmeer en Cornelis
Huijbertsz. De naam Eenhoorn is door Huijbert en zijn broers en zusters
aangenomen. Wellicht is er een connectie met een hoofdingeland van de Starnmeer,
Cornelis Eenhoorn. Deze Cornelis Eenhoorn behoorde tot de meest welvarende
families van De Rijp, rijk geworden door de grote (haring-) en kleine (walvis-)
visserij. De familie Eenhoorn bezat verschillende haringbuizen en rustte schepen
uit voor de Groenlandvaart en die in Straat Davis, schepen die namen kregen als
de Groene Eenhoorn, de Roo Eenhoorn en de Bonte Eenhoorn.
Vrijwel
alle kinderen van Hendrikje en Huijbert bleven op Krommeniedijk wonen, en omdat
een broer van Huijbert, Jan Cornelisz Eenhoorn, zich ook met zijn gezin in deze
streek vestigde, droegen in de achttiende en negentiende eeuw verschillende
dorpsbewoners de naam Eenhoorn. Er was zelfs een bierbrouwerij op het dorp met die naam.
3. Maartje/Maertje Huijbertsd Eenhoorn, geboren op 8 maart 1784 te Krommeniedijk en daar gestorven op 4 juni 1834, was het jongste kind van Hendrikje Bak en Huijbert Eenhoorn. Zij trouwde in 1811 in de hervormde kerk van Uitgeest met veehouder Jan Pietersz Koel (geboren omstreeks 1779 en gestorven op 1 maart 1834 te Krommeniedijk), wiens familie afkomstig was uit Ilpendam. Zijn broer Cornelis Pietersz Koel was broodbakker op Krommeniedijk. Het echtpaar woonde in een boerderij in het Laantje en bezat land tussen de Westdijk en de Lagendijk, aan de Krommenie en in de Broekerpolder. Jan Koel was diaken van de kerk die de grootvader van zijn vrouw had laten bouwen.
![]() |
4. Huijbert Koel (geboren op 27 november 1812 in Uitgeest en gestorven op 4 november 1871 te Bloemendaal) was zeer vroom. Hij was net als zijn vader, Jan Koel, diaken van de kerk te Krommeniedijk en schonk toen hij de veehouderij van zijn vader had overgenomen voor een symbolisch bedrag land aan de kerk, zodat daarop de huidige pastorie gebouwd kon worden. Dat was het perceel ten noorden van zijn eigen boerderij. Het perceel ten zuiden (van zijn boerderij) had hij eerder, rond 1862, verkocht aan Hendrik Klaasz Reijne, die daarop de Vossenhoeve liet bouwen. Huijbert trouwde op 26 april 1835 in Krommenie met de twintigjarige Jantje Dobber (gestorven in 1877), die afkomstig was uit Waterland. Naast kerkelijke functies bekleedde Huijbert Koel tussen 1868-1871 ook de functie van dijkgraaf van polder het Woud. (Foto via Alex Bol) |
![]() |
5. Frederik/Fredrik Koel, geboren in 1850 op Krommeniedijk, was door zijn vader, Huijbert Koel, reeds op vierjarige leeftijd mee naar de kerk genomen, en op 22-jarige leeftijd - bij wijze van uitzondering - al kerkmeester geworden. Dit op aandrang van de toenmalige consulent, dominee H. Timmers van Knollendam, toen hij drie jaar lidmaat was. Hij werd veehouder en trouwde op 9 december 1877 met de 23-jarige Trijntje Bak. Zij was een dochter van timmerman Hendrik Bak. Toen de pastorie gebouwd werd, was Frederik Koel kerkvoogd, samen met Jacob Slooten (rond 1828 in Graft geboren en op 7 juli 1892 te Krommeniedijk gestorven) en Jan Jansz Bak sr. Deze Jan Jansz Bak sr, geboren in 1819 in Assendelft (hoewel beide ouders van Krommeniehorn afkomstig waren), was net als zijn vader Jan Baartsz Bak veehouder. Zijn moeder was Dirkje Noordenburg, wier moeder - Aagje Bak - een zuster was van Baart Bak. Jan Baartsz Bak was dus met zijn nicht getrouwd. Deze Jan Baartsz Bak heeft een zeer bijzondere reis gemaakt, in het Napoleontische leger, en daarvan een verslag bijgehouden. Hij was overigens geen rechtstreekse afstammeling van Frederik Cornelisz Bak, maar deelde met hem wel gemeenschappelijke voorouders, zoals Claes Bak, die rond 1608 op Krommeniedijk geboren was. Wellicht woonden er ook wel eerdere voorouders van deze Bak op Krommeniedijk, maar dat is niet te achterhalen. Het was in ieder geval de achttienjarige zoon van Jan Jansz Bak sr, Jan Jansz Bak jr, die op 4 mei 1875 officieel de eerste steen mocht leggen voor de nieuwe 'Oude Pastorij'. (Foto via Alex Bol) |
De eerste predikant die met zijn gezin zijn intrek mocht nemen in de pastorie, was Ds. Jacob van Waning Bolt. Hij woonde er tot zijn vertrek in 1880, waarna Ds. Barend Dirk van Starkenborg van Straten (1881-1882), Ds. Nicolaas Caro (1883-1889), Johannes Justus Henkel (1892-1903) en Ds. Petrus Bruining (1920-1929) in het statige huis verbleven. Dominee Boeke haalt in zijn boek Krommeniedijk en zijn kerk notulen aan waarin staat dat dominee Bruining 'zoo liefderijk was, om al de onkoste aan Pastorie besteed gedeeltelijk voor eigen risico te neme'. Onder leiding van deze dominee Bruining en zijn huishoudster Rieka werd er zondagsschool gehouden in de pastorie, in de leskamer (of kerkenkamer), die later achter de pastorie was gebouwd. Ook stelde hij een bewaarschool in, voor de kleuters van Krommeniedijk.
Maar een mooi bouwwerk vergt onderhoud, zowel de kerk als de pastorie. In
Het nieuws van den dag: kleine courant van 4,6 en 7 juni 1897 staat de
volgende oproep:
'De Kerkvoogdij der Ned. Herv. Gemeente te
Krommeniedijk, in Noord-Holland, verkeert in moeielijke omstandigheden. Sinds
jaren waren Kerk en Pastorie in diep verval en de gemeente was niet bij machte,
uit eigen middelen voorziening aan te brengen. Toen heeft zij van de Synode der
Ned. Herv. Kerk hulp ontvangen tot herstel van het Kerkgebouw. De bij dat
lichaam beschikbare middelen laten echter niet toe, ook voor restauratie der
Pastorie voldoende hulp te bieden. Slechts eene betrekkelijk geringe subsidie
kon daarvoor worden verleend, met mededeeling, dat het verder benoodigde langs
anderen weg moest worden gezocht. Reeds werden Kerkvoogden met onderscheiden
giften van Kerkvoogdijen en Particulieren verblijd. Maar het aldus ontvangene is
op verre na niet voldoende voor het doel. Nog is omstreeks f 1000
noodig. Wie helpt ons in dezen nood voorzien?
Kerkvoogden der Herv. Gemeente
te Krommeniedijk,
H. Reijne Hzn., Pres.
J.J. Henckel Jzn., Secr.
Deze
Bede om Hulp wordt mede volle overtuiging ondersteund door:
A. Bruining,
Predikant te Krommenie, Consulaat te Krommeniedijk
J.J. van Hille, Predikant
te Zaandam, Scriba van het Classikaal Bestuur van Haarlem
J. van Witzenburg,
Predikant te Zaandam, Secretaris van het Provinciaal Kerkbestuur voor
Noord-Holland
E. Laurillard, Predikant te Amsterdam
die zich tevens
bereid verklaren giften voor genoemd doel in ontvangst te nemen.'
In de periodes dat er geen predikant op het dorp woonde, verhuurde de kerkenraad de pastorie voor een bescheiden bedrag. Er woonden soms wel meerdere gezinnen in het gebouw. Op zondagavond 2 augustus 1931, rond 22.00 uur, kwam er bij de Krommeniedijker brandweer de melding binnen dat de pastorie in brand stond. De commandant verzamelde zijn mannen, reed de brandspuit uit het Spuithuis aan de Indijk en snelde naar het Laantje. Het vuur had zich echter zo snel verspreid, dat er haast geen blussen meer aan was, en de pastorie volledig uitbrandde. Slechts de muren stonden er nog, geblakerd. Het dak en binnenwerk was verkoold.
Maar de pastorie werd hersteld en in juni 1944 werden er vijftien arbeiders ondergebracht, die aan het fort werkzaam waren. De bovenverdieping werd verdeeld in twee vertrekken, waarin kribben werden geplaatst. De catechisatiekamer werd woonverblijf, met een trap naar boven. De gemeentekringbijeenkomsten moesten toen in de kerkenkamer worden gehouden. Tegenwoordig is de pastorie in particulier bezit en fungeert deze uitsluitend als woonhuis.
Index |
Activiteiten |
Contact |