logo logo

Rooms-katholieke kerk op Krommeniedijk

De rooms-katholieke kerk stond op het huidige perceel Krommeniedijk 165. Het gebouw bestond uit een pastorie (ook wel 't Cloosterhuijs genoemd), voor aan de weg, met daarachter - direct daar tegenaan gebouwd - een eenvoudig godshuis met een torentje, een zogenoemde 'schuurkerk'. Achter het perceel ligt een stuk land waar de pastoor voorheen zijn tuin en fruitbomen had, en wat nog altijd 'Pastoors bongert' (de boomgaard van de pastoor) wordt genoemd. De rooms-katholieke kerk op Krommeniedijk werd in 1612 gewijd en is in 1854 gesloopt.

kadaster 1830

Afbeelding naar de kadasterkaart uit 1830. De zwartgekleurde omtrek geeft de locatie aan van de rooms-katholieke kerk plus pastorie, met schuin daarachter de boomgaard en tuin van de pastoor.

Op 1 mei 1854 verkocht de Roomse gemeente de vervallen pastorie en kerk, plus de daarbij behorende stukken grond, voor fl. 2.050,- aan de dorpsonderwijzer Adriaan Zonderland. Deze liet de gebouwen slopen, zodat er op de vrijgekomen grond nieuwe huizen konden worden gebouwd, die meester Zonderland wellicht verhuurde, want hij woonde zelf in het schoolhuis (Krommeniedijk 181) tegenover de hervormde kerk.

Pieter Bakker

De huizen op het huidige perceel 165 hebben er niet lang gestaan, want begin twintigste eeuw was deze grond in gebruik als tuingrond behorende bij de woning op het huidige perceel Krommeniedijk 164. Hier woonden toen Aaltje Rol en Reijer Bakker, nadat zij vrijwel hun leven lang molenaar waren geweest op molen De Woudaap
(zie voor meer informatie het artikel 'Aal en Reijer Bakker: veertig jaar molenaar op De Woudaap (1879-1919)' van Linda Groen, in de Krommenieër Kroniek nummer 61, maart 2011). Na hun dood bleef hun oudste zoon, Pieter Bakker, hier wonen, in het lage zwart geteerde houten huis aan de weg, met daarachter de stal (uit 1948) en de vijzelberg (uit 1956) van zijn boerenbedrijf. Tegenwoordig woont een achterkleindochter van het molenaarsechtpaar op perceel 165.


(Links een foto uit 1941 van veehouder Pieter Bakker, geboren op 5 januari 1882 in De Woudaap en gestorven op 2 januari 1959 te Krommeniedijk)

Inventaris

In de kleine kerk stond een orgel, een altaar met de bijbehorende ornamenten, een kast met kazuifels en andere gewaden van de pastoor en zijn misdienaars. In het artikel 'Historische kerkelijke objecten' (Krommenieër Kroniek, nummer 28, december 2002) vermeldt Jan Rem dat een van de kazuivels die vermoedelijk ooit in de rooms-katholieke kerk van Krommeniedijk in gebruik is geweest, tegenwoordig tot de collectie van het Catharijneconvent in Utrecht behoort. Het betreft een vijftiende-eeuws misgewaad met op de rugzijde een borduurwerk voorstellende de Verheerlijking van Christus op de berg Tabor.

Via de registrator van Museum Catharijneconvent is duidelijk geworden dat daar behalve de 'Tabor-kazuifel' nog enkele andere voorwerpen uit de rooms-katholieke kerk van Krommeniedijk bewaard worden: een rood fluwelen stola met goudgalon kruisjes en rand en een rood fluwelen manipel met goudgalon kruisjes en rand van goudfranje (beide gemaakt in Nederland omstreeks 1865), een kerkvelum van rood fluweel en zijde met een kruis van goudgalon en rand (gemaakt in Nederland omstreeks 1650), een rood fluwelen beurs, afgezet met goudgalon en met de letters IHS - door een stralenkrans omgeven - met gouddraad geborduurd (gemaakt in Nederland omstreeks 1650), een polychroom kruisbeeld van eiken- en vurenhout (gemaakt in Noord-Nederland omstreeks 1500), en twee boeken. Het ene betreft de Historische beschryving der stadt Amsterdam, waer in de voornaemste gesschiedeniffen (na een kortverhael, van gansch Hollant en d'omleggende dorpen, als ambachts-heerlijkheden, onder deze stadt gelegen) die ten tijde der herdoopers, Nederlandsche betoerten, en onder Prins Willems, de tweede, stadt-houderlijke regeering, hier ter stedevoor-gevallen zijn, verhandelt, en al de stads gemeene, zoo geestelijke als wereltlijke, gebouwen, in meer als tzeventigh kopere platen, met haer nevenstaende beschrijving, vertoont worden, door Olfert Dapper (Amsterdam 1663) en het andere het Nieuw Woordenboek der Nederlantsche en Latynsche Tale, Waer in de woorden en spreekwyzen der eerste tale, naer hunne verscheide beteekenissen en kracht, door de laetste naeukeurig verclaert en opgeheldert worden (Amsterdam en Dordrecht, druk uit 1736) door Samuel Hannot en vervolgens overzien, 'van veele misstellingen en andere vlekken gezuivert, ook met veele woorden en spreekwyzen merkelyk vermeerdert door' David van Hoogstraten, met instemming van Samuel Hannot die zich erover verheugde dat zijn werk, 'tot nog toe zoo schendig verwaerloost, in myne handen geraekt was' en verzocht 'dat ik den woesten mengelklomp wilde in orde en te recht brengen'.

Verder bevatte het inventaris twee schilderijen, zes beelden en een kistje relikwieën, die na 1854 in het bezit van het bisdom Haarlem zijn gekomen. Het waren gewrichten en schedelstukken van de gezellen van Sint Ursula en Sint Cunera, gerangschikt op een plank die met rood zijde was omkleed en omwonden met zilverdraad. Andere relikwieën betroffen onder meer aan de kerk geschonken vingerleden van martelaren uit Rome, die zich tegenwoordig ook in de verzameling van de Sint Bavokerk te Haarlem bevinden. Deze zijn waarschijnlijk verkregen via pastoor Johannes van der Mey, die in zijn eerste priesterjaar in Krommeniedijk is geweest en die lange tijd in Rome had gewoond. De echtheidsbrief ervan dateert uit 22 mei 1714 en er is een pauselijk schrijven 'sub plumbo' van 1713 bewaard gebleven, waarbij paus Clemens XI aan de leden ener in de kerk te Crommeniedijk of kanoniek op te rigten Broederschap ter ere der Heilige Drievuldigheid tot ondersteuning des naasten, maar niet van één gild alleen 'geestelijke gunsten toestaat'. Dit schrijft dominee Boeke in zijn boek over Krommeniedijk en hij concludeert dat het blijkbaar de bedoeling was dat de rooms-katholieke geestelijkheid een vereniging van leken vormde die door verering van de relikwieën geld voor de parochie kon inzamelen. Giften kwamen er helaas weinig, waardoor de rooms-katholieke parochie te Krommeniedijk verzwakte en het kerkhuis plus kerkgebouw meer en meer in verval raakten. Omstreeks 1840 werd in een missieverslag het volgende gemeld: De kerk gelijkt op een stulp en een vervallen huis.

In de kerk hing naast de deur aan een spijker een offerbusje, waarin geld verzameld werd voor de 'Roomsch Catholijke Armen'. Op 8 april 1839 vonden de kinderen van Maarten van Gelderen en Gerrit Pels het busje - leeg - drijvend in de Uitwegsloot. Ze brachten het terug naar pastoor Gerard Bergman, die het de dag ervoor na de kerkdienst reeds gemist had. Er werd officieel aangifte gedaan van de diefstal en op basis van geruchten werd de volgende dag een spinster uit Krommenie voor de burgemeester aldaar geleid. Zij bekende dat ze die zondag als laatste de kerk had verlaten en toen het busje had genomen om onder haar schort te verbergen. Terwijl ze langs de Uitweg naar huis liep, had ze het busje te water gegooid, nadat ze het geld - achtenveertig centen en een stuiver - er uit geschud had. De vrouw meldde uit wanhoop gehandeld te hebben. (Uit: 'Krommenie in de 19e eeuw', Krommenieër Kroniek, nummer 6, 1997)


Pastoors te Krommeniedijk na de reformatie

Ysbrand Johannes Duyves

de eerste pastoor na de reformatie, gewijd in 1638, 'volkomen Bacelier in de Godkunde'

Pieter Bobeldijk

gestorven op 9 maart 1651

Gijsbert Verhaar

uit Utrecht, overleden op 12 december 1677

Willem Rozenhouwer

een ijveraar, aan de hogeschool te Leuven opgevoed, gestorven op 12 april 1701

Johan Opmeer

uit Amsterdam. Na 1708 verdubbelde het aantal dopelingen te Krommeniedijk toen de katholieke schuilkerk in Krommenie overgenomen werd door de oud-katholieken en de rooms-katholieken voor hun eredienst naar de schuilkerk van Krommeniedijk uitweken. Deze kerkgangers kregen daarom de naam 'buiten-Roomschen'.

Stephanus Yzendoorn

ca. 1720. Van hem is bekend dat de latere pastoor van Schagen, Petrus Siby (geboren in 1700, baccalaureus van Leuven, tot priester gewijd te Mechelen) een half jaar bij hem werkte.

Nicolaas Brandts

werkzaam rond 1730, afkomstig uit Lathum in Gelderland. Uit zijn ambtstijd te Krommeniedijk dateert de volgende verponding:

verponding

Johannes Hessen

geboren te Amsterdam, die 27 jaar oud, op 28 augustus 1732 de eed van trouw heeft gedaan hebbende sending hebbende van Sylvius Vanlenti Gonzaga, internuntius te Brussel

Johannes Theodorus Cartel

van 1752-1769 (dus tijdens de bouw en inwijding van het huidige kerkgebouw) woonde hij op Krommeniedijk. Cartel was een Hagenaar van geboorte, eerst vier jaar in Obdam werkzaam geweest en na zijn Krommeniedijkse periode dertig jaar in Alkmaar, waar hij op 13 april 1799 is overleden. In 1768 was hij als lid gekozen van 't gewaande Haarlemse Kapittel. Wegens schulden werd hem in 1792 aangeraden afstand te doen van zijn pastorie. Na weigering greep de aartspriester in en moest Cartel de schuldenlast in zes jaar tijd aflossen.

Theodorus Baasjes (of Baasjen)

geboren te Schagen, werkzaam te Krommeniedijk van 1769-1781. Hij was eerst drie jaar pastoor geweest in Ilpendam. Later vertrok hij naar Blokker, waar hij op 2 januari 1806 stierf. Baasjes was lid van de Haarlemse priesterraad en sinds 1772 lid van de Amsterdamse krans van kapelaans.

Cornelis van Immersen

uit Leiden, werkzaam te Krommeniedijk van 1781-1790. Daarna heeft hij nog een paar jaar in Oegstgeest gediend, waar hij in 1792 overleed. In 1785 berichtte hij dat de gemeente in Krommeniedijk 305 lidmaten telde, waarvan de meeste zeildoekwevers.

Joannes Christophorus (of Christianus) Freede

geboren in 1755 in Amsterdam, stond in 1781 als kapelaan in de kerk op de Boommarkt te Amsterdam (achter het Begijnhof). Van 1786-1790 was hij pastoor op het eiland Wieringen en van 1790-1805 was hij werkzaam te Krommeniedijk. Later ging hij naar Lisse.

Franciscus de Leeuw

afkomstig uit Berkel, werkzaam te Krommeniedijk van 1805-1814. Hij had eerder als kapelaan in Goes en Amsterdam gewerkt en ging later naar Noordwijkerhout, waar hij op 6 januari 1830 stierf.

'pastoor' Tetterode

werkzaam te Krommeniedijk van 1814-1823. Na zijn tijd werd er in Markenbinnen geen mis meer gelezen.

G.J. Strengers

werkzaam te Krommeniedijk van 1823-1827, daarna vertrok hij naar Noordwijk, waar hij op 16 december 1837 overleed.

Gerard Bergman

geboren in Vogelenzang 1798. Na zeven jaar in Beverwijk kapelaan te zijn geweest, werd hij werkzaam te Krommeniedijk, van 1835-1843. Bergman is gestorven in Wassenaar op 31 maart 1857. Over hem is bekend dat hij zeer bekwaam, vroom en ijverig was, en zich inzette om een nieuwe woning en kerk te krijgen, omdat de oude in zo'n slechte staat verkeerden. In 1843 stelde hij een fonds in ten behoeve van een nieuw kerkgebouw.

Joannes Schut

geboren in februari 1804 te Amsterdam, waar hij ook als kapelaan fungeerde, en gestorven op 18 maart 1857 te Bergschenhoek. Pastoor Schut was werkzaam te Krommeniedijk van 15 december 1849 tot 1851. Hij benoemde een commissie die het door zijn voorganger ingestelde fonds beheerde. De commissie bestond uit de pastoor zelf en de parochieleden S. Sely en D. Dik. Jaap Koning haalt in zijn artikel 'Het einde van buurthuis de Snuiver' (Krommenieër Kroniek nummer 23, september 2001) een verzoekschrift aan waarmee de commissie koning Willem III om toestemming vraagt voor de bouw van een kerk en pastorie in Krommenie:
'Aan Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, geeft met verschuldigde eerbied te kennen de R.K. Gemeente van Krommeniedijk c.a. (cum annexis = en omgeving) dat zij zich tot haar leedwezen in de treurige oorzakelijkheid bevind van in eene nieuwe kerk en pastory te moeten voorzien wijl beide zoo oud en bouwvallig zijn dat ze niet meer gerepareerd kunnen worden en de kerk de helft der gemeente niet kan bevatten. Dat zulk op de plaats waar zij nu staat, niet welvoeglijk geschieden kan en zij nu eene geschikte gelegenheid daartoe te Krommenie gevonden hebben'.

Josephus Wilhelmus

werkzaam te Krommeniedijk van 1851 tot het einde van de parochie aldaar in 1854

Rooms-katholieke kerk

Vanaf 22 februari 1854 gingen de rooms-katholieken van Krommeniedijk en omgeving naar de nieuw gebouwde kerk in Krommenie. Deze was in 1853 door de Leidse architect Theo(dorus) Molkenboer gebouwd, met fl. 2.500,- rijkssubsidie (plus de machtiging om fl. 8.000,- te lenen), want inmiddels steunde de overheid de roomse gemeenschap ook weer.

De rooms-katholieke kerk stond in de Zuiderhoofdstraat. Op de locatie waar het huis links op de foto staat, is later de Snuiverstraat aangelegd.

Index

Activiteiten

Contact